Foto Salim Rabbani
Salim Rabbani

Onderwijs, dialoog en culturele uitwisseling

Non-profit gespitst op begrip tussen Arabische regio en Nederland

Door Annemieke Diekman
  • Buitenland
  • Interview

Salim Rabbani, voorzitter van de Lutfia Rabbani Foundation en ondernemer, stelt de dialoog boven alles. Nederland zou de historische banden met de Arabische wereld moeten aanhalen en nieuwe moeten smeden. ‘De verschillen zijn minder groot dan gedacht.’

Wat is het belang van een blijvende dialoog?

Rabbani: ‘We zijn erg van elkaar afhankelijk als Nederland en Arabisch sprekende wereld. Als je kijkt naar onze industrie, onze geschiedenis, de cultuur en de handel vanuit Nederland, overal liggen sterke verbintenissen met de Arabische wereld. Dan heb ik het niet alleen over de welvarende Golfstaten met olie en gas, maar ook over Noord-Afrika en de Levant. Uiteindelijk hebben we elkaar nodig en zijn we veel meer van elkaar afhankelijk dan we denken.’

Hoe kunnen we dat bewustzijn vergroten?

‘Het is veel beter om al een band op te bouwen met de mensen die hierheen komen, in plaats van te blijven roepen hoe moeilijk het allemaal is en dat integratie niet lukt. We kunnen het heel moeilijk maken, maar dat hoeft niet. Als we die band van tevoren kunnen opbouwen, dan hebben beide kanten hier enorm baat bij. Als we dit nalaten, dan worden de problemen alleen maar groter. Niet alleen vanuit cultureel perspectief, maar ook op het vlak van arbeid, energie, economische ontwikkelingen en investeringen. En als één ding duidelijk is als je naar de afgelopen periode kijkt, militaire interventies werken niet.’

Hoe kan beter worden samengewerkt?

‘De Arabisch sprekende wereld heeft veel geld te investeren en Nederland ook. Dat kunnen we wellicht vaker samen doen, bijvoorbeeld samen projecten financieren in Afrika of andere gebieden. Ook op cultureel vlak zijn bijvoorbeeld het Midden-Oosten en Nederland dichter bij elkaar dan men vaak verwacht. In beide gebieden heb je mensen met verschillende achtergronden. De meeste mensen in de wereld willen echter dezelfde dingen, waaronder een beter leven voor hun kinderen en voor hun familie. Al verschilt de manier van communiceren, mensen zijn heel soortgelijk. Door met elkaar in gesprek te gaan en te blijven, leer je elkaar beter kennen en begrijpen. Ondanks dat er soms sterke politieke en religieuze verschillen zijn.’

Op welke manier draag uw Foundation bij aan een betere dialoog?

‘Wij willen zoveel mogelijk impact genereren met beurzen voor studenten uit de Arabisch sprekende wereld. Met beurzen voor 1-jarige masters en PhD’s kunnen we zoveel mogelijk studenten helpen. Daarnaast financieren we ook reisbeurzen voor Nederlandse studenten die naar de regio willen. Sinds de oprichting hebben we ongeveer vierhonderd beurzen verstrekt, plus tal van kleinere giften.’

‘Zo hebben we enkele jaren geleden een Libanees-Syrische kunstenares geholpen van in de 80. Zij kon exposeren in het Van Gogh museum en vroeg een bijdrage. Daarmee was ze de eerste Arabische persoon die in het Van Gogh museum heeft geëxposeerd, en überhaupt de eerste vrouw. Ook financieren we documentaire-festivals als The Arab Film festival en IDFA. Onze alumni dragen ook bij aan het kweken van onderling begrip. Zij zitten overal, zowel in Nederland als in de Arabische wereld en houden de dialoog levend.’

Zoekt de Foundation ook externe funding?

‘Tot recent hebben we het, met giften, zelf gedaan. Wel zijn er belangrijke bijdragen van een aantal universiteiten (fondsen), waarmee we een vaste afspreken hebben. Met de International Academy of Law werken we samen voor de Vredesbeurs. Die hebben we in het leven geroepen ter nagedachtenis aan een belangrijke ondersteuner van de Foundation die actief was in het internationaal recht, Pieter Vrede.’

‘Jaarlijks kunnen twintig rechtenstudenten nu een course International Law volgen. Daarnaast hebben wij kortgeleden een aantal donaties van (familie)fondsen ontvangen. Toch willen we nog dit jaar starten met gerichte externe funding. We willen onze impact verder vergroten en dat gaat op eigen kracht te langzaam.’

Naar wat voor financiers bent u op zoek?

Family funds zouden goed bij de Lutfia Rabbani Foundation passen, en dat geldt ook voor de wat grotere impactfondsen. Of misschien bedrijven die op die manier hun CSRD activiteiten kunnen laten groeien. Tot nu toe hebben we geen fondsen opgehaaldin de Arabische wereld, onze focus ligt op Nederland.’

Een optie in de toekomst?

‘Traditioneel is filantropie in de Arabische wereld een heel normaal gegeven. Mensen geven zowel binnen als buiten hun eigen gemeenschap geld aan anderen. Dat gebeurt via de Zakat-afdracht of anders. De laatste jaren zijn er meer regionale en (familie)fondsen bijgekomen. Wat je overal in de wereld ziet, is dat in landen waar de overheid weinig uitgeeft aan de bevolking, grote fondsen harder nodig zijn. In de Golfstaten betaalde de overheid vroeger de universiteit en als je ziek was, werd je naar Londen gestuurd.’

‘Grote fondsen waren minder noodzakelijk. Met de groei van de bevolking hebben overheden deze betalingen teruggeschroefd en zie je het aantal fondsen juist groeien. Een bindende factor is de Arabische taal. VanafMarokko tot en met Irak heb je een gebied met 450 miljoen mensen die Arabisch spreken. Ik verwacht daarom dat de grotere fondsen zich steeds meer op Pan-Arabische investeringen zullen richten, in plaats van op dorp X of Y. Wellicht volgt daarna Europa, maar daar is nog wel wat voor nodig.’

Uitwisseling studenten

Filantropische inborst

Ziet u uzelf als bruggenbouwer?

Rabbani: ‘Een bruggenbouwer is misschien een groot woord, maar ik ben altijd bezig om mensen bij elkaar te brengen. Dat heb ik meegekregen van mijn ouders, beide Palestijns vluchteling. Voor mij is het belangrijk dat mensen elkaar kunnen ontmoeten, van elkaar leren en elkaar kunnen begrijpen. Door de dialoog aan te gaan, ervaren ze dat de verschillen niet zo groot zijn als van tevoren gedacht.’

Leeft u de principes van uw ouders na?

‘Mijn ouders hebben gedurende hun hele leven mensen bij elkaar weten te brengen van verschillende culturen en achtergronden. Zowel privé, zakelijk als in hun werk met de Lutfia Rabbani Foundation. Zij zijn beide als kind in 1948 gevlucht vanuit Palestina naar Syrië. Mijn vader was 10 jaar oud en moest als oudste zoon helpen het vaderloze gezin te onderhouden. De mensen waar hij voor werkte, zorgden er voor dat hij ‘s avonds naar school kon. Met een studiebeurs kon hij vervolgens gaan studeren in het buitenland. Oorspronkelijk wilde hij naar Amerika, maar door omstandigheden kwam hij in 1956 in Nederland terecht. Mijn moeder kwam hier drie jaar later. Samen bouwden ze hun leven verder op met oog voor de ander.’

Hoe trad u in de voetsporen van uw vader?

‘Na mijn studie in Californië heb ik vijf jaar in de financiële wereld gewerkt in Washington D.C. en nog een paar jaar in Londen.Begin jaren negentig ben ik naar Nederland teruggekomen om samen met mijn vader, Mahmoud Rabbani, in het familiebedrijf te gaan werken. Hij was de oprichter van Rabbani Trading & Consultancy (RTC) en voormalig honorair consul van Koeweit. We hebben vanaf toen nog tien jaar samengewerkt. Wat mooi is aan een familiebedrijf is dat je er zowel in goede als slechte tijden voor elkaar bent. De binding wordt alleen maar sterker. Na zijn dood in 2002 heb ik het bedrijf voortgezet.’

Heeft u ook zijn filantropische inborst geërfd?

‘Hij liet niet alleen zijn gevoel voor zakendoen na, maar ook de Lutfia Rabbani Foundation en was daarmee een groot inspirator. De stichting die is vernoemd naar mijn grootmoeder, richt zich op onderwijs, dialoog en cultuur. Ik was er 25 jaar geleden al bij betrokken, maar voelde mij destijds eigenlijk onvoldoende gekwalificeerd om leiding aan de foundation te geven. De andere betrokkenen bij de stichting wisten mij over te halen toch voorzitter te worden. Sindsdien zet ik mij volop in voor de stichting, samen met mijn vrouw en de andere bestuursleden.’

Share

Abonneer je op ons gratis Journaal:

Gerelateerde artikelen