Peter Jansen
ANBI-inspecteur Peter Jansen

‘En wat doe jij?’

Door Peter Jansen
  • Fiscaliteit
  • Opinie

Peter Jansen is werkzaam bij het ANBI-team. Voor Wereld van Filantropie zal hij regelmatig een column schrijven. Hij doet dit op persoonlijke titel. De inhoud geeft dus zijn eigen opvattingen weer en niet noodzakelijk die van de Belastingdienst.

Op verjaardagen zeg ik tegenwoordig dat ik bij het ministerie van Financiën werk. Dat is waar, maar het is ook een beetje een truc. Zeg je ‘Belastingdienst’, dan verandert er iets in het gesprek: de blik, de toon, en binnen een minuut ligt een brief van drie jaar geleden op tafel. Zeg je ‘Financiën’, dan klinkt het ineens bijna interessant. Hetzelfde werk, een ander gesprek.

Als het gesprek dan toch doorgaat, vertel ik wat ik precies doe: ik houd me bezig met de ANBI-status van instellingen. Dan volgt eerst de vraag waar die vier letters voor staan. Algemeen nut beogende instelling, zeg ik dan. Dat helpt meestal maar half, dus maak ik er al snel ‘goede doelen’ van. En daarna komt, vrijwel zonder uitzondering, dezelfde opmerking. ‘Er blijft toch veel te veel aan de strijkstok hangen?’ Of, net iets scherper: ‘Wat verdient die directeur eigenlijk?’ Laat ik daar dan maar meteen mee beginnen.

Fiscale voordelen

Ik werk bijna zeventien jaar in het ANBI-team, de afdeling met ruim 45.000 van die instellingen in haar bestand. Bijna allemaal stichtingen, van de plaatselijke voedselbank tot het vermogensfonds met een beursportefeuille. In die jaren heb ik in vrijwel elk proces gezeten: toezicht, vooroverleg, vaktechniek en voorlichting. Steeds dezelfde regeling, maar de ene keer oordeel je achteraf, de andere keer vooraf, en de derde keer leg je uit hoe het werkt. Wie de ANBI-status heeft, krijgt fiscale voordelen. Wie hem wil, moet laten zien dat het geld ook echt terechtkomt waar het voor bedoeld is. Mijn werk zit precies op dat snijvlak: tussen goede bedoelingen en de wet.

Over die strijkstok. Er bestaat geen magisch percentage. Nergens staat dat een goed doel maximaal vijf of tien procent aan de eigen organisatie mag besteden. Wat er wel staat, is dat de kosten in een redelijke verhouding moeten staan tot de bestedingen aan het algemeen nut. Dat is het kostencriterium, en het is precies zo streng en zo rekbaar als het klinkt. Want een lage overhead zegt weinig over hoe goed een instelling werkt. Een administratie, controle, iemand die kritische vragen stelt: dat kost tijd of geld. Bij een kleine stichting doen vrijwilligers dat voor niets, bij een grote organisatie staan er professionals op de loonlijst. Redelijk is niet hetzelfde als zo laag mogelijk.

Beloningsbeleid

Wat de wet wel scherp regelt, is wie er betaald mag worden, en waarvoor. Wie het beleid bepaalt, meestal het bestuur, soms een raad van toezicht, krijgt daarvoor geen salaris. Alleen een vergoeding van gemaakte kosten en hooguit een niet-bovenmatig vacatiegeld. Een directeur in loondienst mag wel gewoon betaald worden. Daarnaast moet elke ANBI haar beloningsbeleid publiceren. Dat is niet voor niets een van de publicatieverplichtingen: het is precies de informatie waar dit soort vragen over gaat.

Dat woord ‘redelijk’ brengt me bij de kern van mijn vak. De ANBI-regeling zit vol open normen. Geen percentages, geen afvinklijst, maar begrippen die om weging en oordeel vragen: redelijk, nagenoeg geheel, algemeen nut. Voor veel mensen is dat juist het probleem. Bestuurders, adviseurs en notarissen zoeken houvast, en dat begrijp ik: het is prettig om te weten waar je aan toe bent.

Open normen

Toch zou ik willen dat we die open normen wat vaker omarmen. Een hard percentage geeft schijnzekerheid en nodigt vooral uit tot rekenen tot net onder de grens. Een open norm dwingt tot de vraag waar het werkelijk om gaat: dient dit het algemeen nut? Mag een fonds miljoenen opzij zetten voor later? Wanneer is steun aan een organisatie zonder ANBI-status nog verantwoord? En hoeveel mag die directeur nu eigenlijk verdienen? Op geen van die vragen bestaat een sluitend antwoord in de vorm van een getal. Dat is geen weeffout in de wet. Dat is de wet.

Zelf begin ik bij de tekst van de wet en lees ik die in het licht van de bedoeling ervan. Die twee staan niet tegenover elkaar. Een regel die zijn doel mist, helpt niemand: niet de gever, niet het goede doel, en niet de samenleving die via de giftenaftrek en de vrijstellingen in de schenk- en erfbelasting meebetaalt. Het overgrote deel van de instellingen doet het goed, vaak met vrijwilligers die ’s avonds aan de keukentafel de jaarrekening in elkaar zetten. Die mensen verdienen een overheid die uitlegt hoe zij zo’n open norm toepast, en die bereikbaar is voor wie er niet uitkomt. De kleine groep die de regeling gebruikt voor iets anders dan het algemeen nut, verdient een overheid die scherp is. Die twee gaan prima samen. Ze moeten zelfs samengaan.

Columns

In deze columns leg ik uit hoe de regels werken, en waarom. En soms ook hoe het wat mij betreft beter zou kunnen. Niet elke column begint bij ANBI; een enkele keer kom ik er via een omweg. Wat u niet zult tegenkomen zijn praktijkvoorbeelden uit mijn werk. Die blijven waar ze horen. Soms bent u het met me eens, soms niet. Allebei prima.

Nu weet u wat ik werkelijk doe. Verraad me niet op de volgende verjaardag. Ik heb het daar prima naar mijn zin als ambtenaar van Financiën.

Share

Abonneer je op ons gratis Journaal:

Gerelateerde artikelen