
‘Filantropie is geen bijzaak’
Belastinginspecteur Jansen over speelruimte Algemeen Nut Beogende Instellingen
- Fiscaliteit
- Interview
Vermogensfondsen, goede doelen en religieuze instellingen doen dingen die de overheid en de markt niet vanzelf oppakken, aldus ANBI-inspecteur Peter Jansen. De ANBI-status is de fiscale erkenning daarvan. ‘Binnen de ANBI-regels is er meer mogelijk dan gedacht.’
EINDHOVEN – We spreken Jansen op het duurzame Rijkskantoor van de Belastingdienst pal tegenover het station. Hij houdt later deze maand in Utrecht een keynote speech over de aanscherping van ANBI-regels. Dat gebeurt tijdens een besloten bijeenkomst georganiseerd door het onafhankelijke journalistieke platform Wereld van Filantropie, Rabobank en de FIN.
Open normen vragen om uitleg. Eind september neemt Jansen genodigden mee langs drie vragen die hij in de praktijk het vaakst krijgt. Zijn voordracht is geen opsomming van regels, maar biedt zicht op de omstandigheden die de uitkomst bepalen. Als voorschot daarop geeft hij vandaag in dit Journaal enkele kernboodschappen weg.
De ANBI-regels bevatten volgens Jansen bewust ruimte, want ‘algemeen nut’ laat zich niet in één definitie vangen. ‘Het systeem draait op vertrouwen. De meeste filantropische fondsen willen gewoon het goede doen.’ Jansen ziet een sterk geconcentreerd ANBI-bestand: religie, levensbeschouwing en spiritualiteit, welzijn, cultuur en ontwikkelingssamenwerking vormen samen bijna driekwart van de ruim 45.000 ANBI’s.
Bij het ANBI-team van de Belastingdienst (circa 39 fte’s) gebeurt het. Daar houdt men zich bezig met het aanvraagproces, het toezicht, administratieve ondersteuning, bezwaar, beroep, maar ook vooroverleg – een steeds belangrijker proces. Jansen formuleert hier vandaag zes actuele en relevante speerpunten.
1 Zichtbaarheid en benaderbaarheid
Jansen: ‘We willen als ANBI-team zichtbaar en benaderbaar zijn. Dat voorkomt gedoe achteraf. Contact met ons opnemen kan via het ANBI-loket, vooral bestemd voor die bestuurders van een startende ANBI die meer over regelgeving en procedures willen weten. Het betreft laagdrempelige informatie. Men kan via een contactformulier vragen stellen. Iemand van het ANBI-teamneemt dan snel contact op.’
‘Er zijn ook andere kanalen om in contact te komen met het ANBI-team. Denk aan het aanvragen van vooroverleg om te komen tot een standpuntbepaling van de inspecteur. Betrokkenen weten dan vooraf waar ze aan toe zijn. Vooroverleg kan nuttig zijn bij bijvoorbeeld een herstructurering of wanneer bestuurders opeens anders beloond worden. Daarnaast probeert het ANBI-team zichtbaar te zijn via webinars en presentaties in het land.’
2 Samenwerking met de sector
‘Professionalisering van het ANBI-toezicht heeft als gunstig bijeffect dat wij als ANBI-team meer samenwerking zoeken met de sector zelf. Deels om de regeldruk te verminderen. Naast toezichtconvenanten met de sector, denk aan het CBF, zetten we ook in op samenwerkingsconvenanten. Daarbij kan het gaan om informatie-uitwisseling. Op dit moment zijn we daarover in gesprek met de FIN.’
3 Vermogen aanhouden
‘Dit onderwerp leeft enorm. De uitdaging is om hier meer duidelijk te scheppen. Want in specifieke situaties bij vermogensfondsen kan dit vragen oproepen. De verkeerde vraag is: hoeveel vermogen mogen we aanhouden als ANBI? De vraag is niet hoeveel, maar waarvoor je het vermogen aanhoudt. In zijn algemeenheid gesteld: als je dat goed beargumenteerd kunt onderbouwen is er met reservevorming veel meer mogelijk dan gedacht.’
‘Wat betreft het stamvermogen: als een erflater of schenker met het vermogen een instandhoudingsverplichting heeft meegegeven – en als een ANBI dit accepteert – dan moet men dit stamvermogen aanhouden. Daar kun je niet omheen. Een ANBI zelf kan nooit bepalen dat vermogen stamvermogen is.’
4 Bestedingsplicht
‘Wie de ANBI-status verliest, hoeft niet meer aan de ANBI-voorwaarden te voldoen. Het vermogen dat met fiscale faciliteiten is opgebouwd, valt dan opeens buiten het ANBI-regime. Nu geldt alleen nog een informatieplicht: zolang er € 25.000 of meer ANBI-vermogen over is, moet de voormalige ANBI jaarlijks opgeven wat ermee gebeurt. Dat waarborgt niet dat het geld ook echt bij het goede doel terecht komt. Daarom heeft de staatssecretaris in de Kamerbrief van 1 juni 2026 een bestedingsplicht aangekondigd.’
‘Dit betekent dat een voormalige ANBI het resterende vermogen binnen twee jaar alsnog moet besteden aan een algemeen nuttig doel, of overdragen aan een andere ANBI. Gebeurt dat niet, dan kan de Belastingdienst een boete opleggen. Zo blijft geld dat voor het algemeen nut bedoeld was, ook na het verlies van de status binnen het algemeen nuttige domein. De beoogde ingangsdatum is 1 januari 2029, onder voorbehoud van de gebruikelijke toetsen – het is aangekondigd beleid, nog geen geldend recht.’
5 Aanpak misbruik
‘Het ANBI-toezicht is niet gericht op intrekking van de ANBI-status of om de ANBI-populatie binnen een bepaalde omvang te houden. Het gaat erom het bestand van minstens 45.000 ANBI’s zuiver te houden. In sommige gevallen is intrekken van de status helaas de enige weg, soms met terugwerkende kracht. Dat is het geval als de algemene doelstelling niet wordt nagestreefd of particuliere belangen worden gediend.’
‘Let wel: als bij toezicht blijkt dat er formeel iets niet klopt, dan geven we vrijwel altijd de mogelijkheid tot herstel. Hiervan kan sprake zijn als het vermogen te hoog is en niet voldoende is onderbouwd waarom dit wordt aangehouden. We geven dan de optie om het vermogen naar het gewenste niveau terug te brengen aan de hand van bestedingsplannen. Als men niet meewerkt, kunnen wij niet anders dan de ANBI-status intrekken.’
6 Ondersteunen van niet-ANBI’s
‘Ook hier geldt: er kan meer dan mensen denken. Je kunt als ANBI ook niet-ANBI’s ondersteunen. Dan heb je wel iets te onderbouwen. Als deze ondersteuning projectmatig verloopt – in lijn met de eigen doelstelling met zicht op de bestedingen – dan is daar in beginsel niets op tegen. Je kunt zelfs op instellingsniveau een niet-ANBI ondersteunen. Je moet dan wel scherp zicht hebben op het functioneren van de organisatie die je als ANBI steunt.’
‘Dan: in dergelijke gevallen is zeker iets te verantwoorden. Als het een buitenlandse organisatie betreft: valt deze dan onder een buitenlandse charity autoriteit? Is de doelstelling in lijn met hetgeen je zelf doet? Is er boekenonderzoek gedaan? Zijn er afspraken over de bestedingen? Met meer details over het ondersteunen van niet-ANBI’s komen we als ANBI-team snel naar buiten.’
Tot slot
Jansen: ‘Wat deze zes boodschappen bindt, is een houding. De ANBI-regeling werkt met open normen, en dat is geen weeffout maar een keuze: algemeen nut laat zich niet in één definitie vangen. Er is dus bijna nooit een harde grens, wél een toets op feiten en omstandigheden. Dat vraagt iets van instellingen, maak uw keuzes concreet, onderbouw ze, leg ze vast – en het vraagt iets van de Belastingdienst: benaderbaar zijn, meedenken waar het kan, en scherp zijn waar het moet. Filantropie is geen bijzaak. Dat begint bij de erkenning dat de meeste instellingen gewoon het goede willen doen, en bij een toezichthouder die dat als uitgangspunt neemt.’
In de komende tijd zal Peter Jansen voor het platform Wereld van Filantropie regelmatig een column schrijven over ANBI-zaken.
Abonneer je op ons gratis Journaal:


