
Kunst (z)onder druk
Paul Schnabel over artistieke vrijheid in tijden van polarisatie en populisme
- Cultuur
- Analyse
In het recente rapport ‘Maken (z)onder druk’ biedt de Raad voor Cultuur in vijftien adviezen handelingsperspectieven voor de politiek, het bestuur, de culturele sector en het onderwijs. Elk handelingsperspectief staat in het teken van een versterking van de artistieke vrijheid van makers, ontwerpers en spelers. Commissievoorzitter Paul Schnabel plaats het rapport op ons verzoek in een zinvolle context.
‘De Regeering is geen oordeelaar van wetenschap en kunst’, zei Thorbecke in 1862 een beetje bits in antwoord op een vraag uit de Tweede Kamer waarom hij de koning bij een bezoek aan de wereldtentoonstelling in Londen niet iets aardigs had laten zeggen over de nieuwe Nederlandse schilderkunst. Hij had natuurlijk kunnen zeggen dat daar weinig aardigs over viel op te merken. Dat zou zeker terecht zijn geweest, maar dat deed hij niet.
Als echte staatsman beschouwde hij zichzelf niet als de maat der dingen. Aan het begin van onze parlementaire democratie wist hij al wat de rol van de staat ten opzichte van kunst moet zijn. Afstand houden, vooral niet zelf willen bepalen wat kunst, laat staan goede of slechte kunst is. De overheid mag de kunst stimuleren, bevorderen, steunen en financieren – al was Thorbecke van dat laatste zeker geen voorstander. Met zijn al gauw tot adagium verheven woorden gaf hij de kunstenaar de vrijheid en liet hij het oordeel over de kunst over aan deskundigen.
Ik denk niet dat Thorbecke het huidige kunst- en cultuurbeleid als een correcte interpretatie van zijn adagium zou beschouwen. Na de Tweede Wereldoorlog is de landelijke en lokale overheid op dit gebied steeds actiever geworden. Elke vier jaar een grote Cultuurnota van het kabinet. Iedere provincie en iedere stad maakt ook weer zijn eigen keuzes, altijd met inspraakrondes van betrokkenen en burgers. Niet als ‘oordeelaar’ van kunst, wel als beoordelaar van wat de overheid wel en niet moet ondersteunen, bevorderen en financieren. Het oordeel over de artistieke activiteiten zelf wordt aan deskundigen overgelaten.
Het Thorbecke-adagium is nooit wet geworden. Het is een ongeschreven regel gebleven. Nergens staat dat de overheid geen oordelaar van kunst mag zijn. Dat was ook niet nodig. Artikel 7 van de Grondwet beschermde de kunstenaar voldoende tegen eventuele bemoeizucht van de overheid. Net als iedereen is de kunstenaar vrij zijn gedachten of gevoelens te uiten en ook te verspreiden. Dat kan soms strafrechtelijke gevolgen hebben, maar ook weer indachtig het adagium zijn rechters in Nederland in het algemeen erg terughoudend de vrijheid van kunstenaars te beperken.
Amerika
Hoe anders het kan gaan, laat president Trump zien. Hij beschouwt zich als bij uitstek een ‘oordeelaar’ van kunst en trouwens ook van wetenschap. Hij legt zijn wil op aan het Smithsonian Institute met zijn vele musea, hij heeft zich tot baas gemaakt van het Kennedy Center of the Arts en verandert nu het Witte Huis in een kitschpaleis. Het gebeurt allemaal in een tempo en op een schaal die niemand voor mogelijk had gehouden. Anders dan in de VS heeft in Nederland niemand zoveel macht om de eigen smaak zo dwingend aan anderen op te leggen. Hier gaat het vooral om pogingen de artistieke vrijheid in te perken.
De Raad voor Cultuur krijgt daar al een paar jaar verontruste berichten over. Het gaat dan niet om acties van de overheid, maar van individuen en groepen in de samenleving. Soms willen ouders niet dat hun kinderen op school of op het toneel geconfronteerd worden met thema’s als seksualiteit, gender of ook etniciteit. Meer en meer zijn er ook incidenten met of over artiesten die uit een ‘fout’ land komen, politiek controversiële opvattingen huldigen of een afwijkende levensstijl hebben. Het blijft dan niet altijd bij woorden. Intimidatie van schrijvers, verstoring van opvoeringen of beschadiging van kunstwerken, het gebeurt niet alleen, het lijkt ook vaker voor te komen.
Is er wat tegen te doen? Dat is niet gemakkelijk. Als er een rel voor je theater dreigt uit te breken, vraagt de politie al gauw of het binnen of buiten is. Binnen moet de directie zelf voor de veiligheid zorgen. Wie iets schrijft waar anderen aanstoot aan nemen, kan in een rechtszaak verwikkeld worden. Alle kans dat je wint, maar wie betaalt de advocaat? Ouders kunnen bezwaar hebben tegen jeugdtheater of bepaalde boeken in de schoolbibliotheek. Het schoolbestuur wil daar meestal geen gedoe over en buigt voor de druk. Idem de producent van het jeugdtheater, die geen kansen op een voorstelling wil missen. Actief verzet of protest van personen of groepen kan een bedreiging worden voor de vrijheid van de kunst.
Voor de Raad voor Cultuur was dat voldoende reden om een commissie te vragen een advies voor te bereiden over de vraag of en zo ja, in welke mate kunst in Nederland onder druk staat. Ik was voorzitter van de commissie en de Raad heeft ons rapport ‘Maken (z)onder druk’ ongewijzigd als advies overgenomen. Wij vonden het vooral belangrijk dat de overheid het Thorbecke-adagium niet een ongeschreven regel zou laten, maar steviger wettelijk zou verankeren.
Artikel 7 van de Grondwet is wel heel algemeen geformuleerd en beschermt vooral tegen druk van de overheid. Dat is goed, maar de kunsten verdienen toch een wat uitdrukkelijkere bescherming van hun vrijheid tegen druk uit de samenleving. In sommige landen is dat al het geval en in artikel 13 van het Handvest van de Grondrechten van de EU staat ook expliciet ‘De kunsten en het wetenschappelijk onderzoek zijn vrij’. Thorbecke lässt grüssen, maar in Nederland misschien toch wat te weinig, zoals in het advies uit een heel informatief overzicht van de nationale wetgeving en internationale verdragen blijkt.
Beperkingen
Kunst roept natuurlijk altijd weerstand en tegenspraak op. Zestig jaar geleden was dat vooral een roep om meer vrijheid en meer andere dan de traditionele kunst. Het kon er heftig aan toe gaan, zoals bij de Aktie Tomaat in 1969. Nu zijn de acties niet meer gericht op meer, maar juist minder vrijheid voor de kunst. Ouders houden soms hun kinderen weg van jeugdtoneel dat gevoelige thema’s als seks en gender aansnijdt. Het komt voor dat boeken over die onderwerpen uit de schoolbibliotheek verwijderd worden. Ook wanneer het niet echt tot acties komt, zijn museumdirecteuren en toneelleiders meer dan vroeger geneigd mogelijk controversiële tentoonstellingen en voorstellingen maar niet te programmeren. Anticiperend op gedoe in de media, het bestuur of de gemeenteraad legt men zo zichzelf artistieke beperkingen op.
In ‘Maken (z)onder druk’ biedt de Raad voor Cultuur in vijftien adviezen handelingsperspectieven voor de politiek, het bestuur, de culturele sector en het onderwijs. Ieder handelingsperspectief staat in het teken van een versterking van de artistieke vrijheid van makers, ontwerpers en spelers. Het eerste advies is meteen het belangrijkste: veranker het Thorbecke-adagium in de wet. De Wet op het Specifiek Cultuurbeleid biedt daarvoor de mogelijkheid. De formulering moet dan natuurlijk uitdrukkelijk laten zien dat het ook echt een taak is van de nationale en de lokale overheid om de vrijheid van de kunst te beschermen.
Dat betekent overigens ook dat overheid zelf terughoudend moet zijn in het opleggen van voorwaarden voor subsidies, zeker als die ook de artistieke kwaliteit raken. Van hun kant zouden kunstenaars als ze door een maatschappelijke groep gedwongen worden zich in een rechtszaak te verdedigen, financieel een beroep moeten kunnen doen op een beschermingsfonds van het Rijk. Dat kan juist voorkomen dat er een rechtszaak tegen hen wordt aangespannen. Goede vaste afspraken tussen theater-en concertdirecties met de ‘driehoek’ (burgemeester, politie, OM) kunnen helpen om als het nodig is, snel te kunnen optreden tegen ordeverstoringen of geweld.
In het advies over de vrijheid van de kunst wordt voor het eerst onderscheid gemaakt tussen een verticale en een horizontale as in de verhouding tot de kunsten. De verticale as heeft betrekking op de verhouding tussen overheid en wetgeving in relatie tot de kunsten. De horizontale as gaat over de verhouding tussen de samenleving en de kunsten. Die vraagt om meer aandacht dan vroeger. De kunsten zijn zeker in vergelijking met de tijd van Thorbecke veel maatschappelijker en politieker georiënteerd geraakt. Dat roept discussie op, zeker ook omdat ernaar gestreefd wordt een zo breed mogelijk publiek te bereiken.
De handelingsperspectieven die de Raad voor Cultuur aangeeft, houden dan ook vooral een oproep in aan de overheid, de culturele sector en het onderwijs om het publiek niet plompverloren te confronteren met kunst. De makers en uitvoerders van kunst moeten zich niet alleen bewust zijn van wat ze willen vertellen, maar zich ook inzetten voor het versterken van het artistieke bewustzijn bij hun publiek en de politiek. De Raad ziet het kunstonderwijs dan ook graag sterker gekoppeld aan de burgerschapsvorming in het onderwijs. Tegelijkertijd blijft het daarop vooruitlopend van belang publiek steeds te benadrukken dat kunst discussie mag oproepen en ook zelf mag oproepen tot discussie. De democratische rechtsstaat biedt als het goed is alle ruimte aan kunst zonder druk, maar biedt kunst ook de vrijheid de vanzelfsprekend geworden orde der dingen onder druk te zetten.
Prof. dr. Paul Schnabel is oud-directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau.
Zie onderstaande link voor het rapport, inmiddels advies:
https://www.raadvoorcultuur.nl/documenten/2026/01/19/advies-artistieke-vrijheid-maken-zonder-druk
Abonneer je op ons gratis Journaal:
Gerelateerde artikelen
- Filantropie
- Interview
Toegenomen druk op maatschappelijke organisaties baart aanzienlijke zorgen
- Bert Koopman
