
Ingeklemd tussen overheid en markt
Historicus Remieg Aerts over civil society, 'shrinking space' en tegenmacht
- (Social) impact
- Interview
Prof. dr. Remieg Aerts – historicus en biograaf van Johan Rudolph Thorbecke – plaatst de civil society tijdens het Civil Power Congres, op 15 december in Amsterdam, in een historische context. We spreken hem in zijn woonplaats Arnhem. In een binnen met enkele punten en lijnen aangeduid historisch kader licht hij vast een tipje van de sluier op.
Hoe benadert u de Nederlandse civil society zoals we die nu kennen?
Aerts: ‘De civil society beweegt zich in strikte zin tussen overheid en markt en is anti-statelijk. De idee daarachter: als burgers zich in vrijheid kunnen organiseren, is dat een versterking van de democratie. Dit wordt zelfs vaak gezien als een voorwaarde voor democratie. Mensen leren georganiseerd met elkaar omgaan, spreken besluitvormingsprocedures af.’
‘Maar er is ook een keerzijde. Je kunt ook civil society organisaties hebben die antidemocratisch zijn of zelfs fascistisch. Daarom stap ik af van een te normatieve invulling van civil society. Als je kijkt naar de basis ervan, kom je uit bij de vormen van zelforganisatie van een samenleving, op welke manier dan ook.’
‘In mijn inleiding op 15 december ga ik terug naar deze brede definitie van de civil society, het hoe en waarom en de gevolgen ervan. Met deze benadering kun je ver terugkijken in het verleden en krijg je een interessante verdieping van het fenomeen civil society.’
Hoe zit het met historische wortels?
‘Als je verder teruggaat zie je niet alleen de kerkelijke vormen van maatschappelijk werk. Denk ook aan de gilden. Vroeger golden die als min of meer gedwongen organisaties. Ze hadden in het maatschappelijk veld echter een volledige civil society functie. Gilden hadden tegenover de stedelijke overheden een geheel eigen inbreng. We weten dat de overheden destijds voor tachtig procent de voorstellen overnamen die vanuit de georganiseerde samenleving naar voren kwamen. Er was dus sprake van een burgerlijk-democratisch rendement.’
Wat betekent dit voor historisch onderzoek?
‘Dit maakt het voor mij interessant om in het verleden op zoek te gaan naar veranderingen in de vormen van zelforganisatie. In de achttiende eeuw bijvoorbeeld groeide het genootschappelijk leven. Dat gebeurde dat vanuit de sociabiliteitsgedachte. Het idee dat mensen zelf in persoon en in vereniging vooruitkomen, zich ontwikkelen door samen dingen te doen, door kennis te verwerven, boeken te lezen, daar met elkaar over te discussiëren, muziek te maken, naar experimenten te gaan et cetera.’
Hoe ziet u de huidige ‘shrinking space’ van de civil society?
‘Kijk eens naar de stichting van het Koninkrijk der Nederlanden onder koning Willem I. Dat was een tijd waarin sprake was van genootschappelijkheid, maar dan in een vorm ervan die zichzelf had opgelegd volledig apolitiek te zijn. Er werd geen enkel controversieel onderwerp aangeraakt. Na een tijd van revoluties, sinds de patriottentijd, was de dominante opvatting in de samenleving vergeven en vergeten. We moeten die revolutionaire tijd achter ons laten, zo luidde de redenering. Dat proces duurde wel dertig tot veertig jaar.’
Wat betekende dat voor de toenmalige samenleving?
‘Begrippen als democratie, politiek of republiek werden in die tijd genegeerd. Uitgevers van tijdschriften waarin dit soort onderwerpen besproken werden, konden vervolgd worden. Er was sprake van een repressieve politieke cultuur. Een netwerk van spionnen hield alles in de gaten. De enige politieke initiatieven kwamen van bovenaf. Er was geen tegenspel, geen parlement dat gevoed werd vanuit het kiesrecht. Daar zie je dus een scheiding tussen repressief politiek bestuur en een wat stilgevallen samenleving. De afstand ertussen was groot.’
En daarna?
‘Het jaar 1848 was een kantelpunt. Een van de intenties van Thorbecke is met nadruk geweest om de voorwaarden te scheppen voor een civil society. Burgers ruimte geven, inspraak geven, ze de mogelijkheid geven zichzelf te organiseren. Er kwam wetgeving voor onder meer het recht tot vereniging en vergadering.’
Wat als u deze lijn doortrekt naar de tweede helft van de twintigste eeuw?
‘Na de Tweede Wereldoorlog zie je een sterke professionalisering – verstatelijking – optreden van het maatschappelijk veld. Denk aan instellingen op het vlak van onderwijs en zorg. Al die organisaties die vanuit het verzuilde bestel waren gecreëerd, werden uiteindelijk statelijke instituties. Los van hun burgerlijke achtergrond of voeding.’
Dus?
‘Onderschat niet hoe sterk de zelfbeheersing is van de georganiseerde samenleving. In de verzuilde structuur werd veel overgelaten aan de besturen van de organisaties. Dat functioneerde op zich goed. Tegenwoordig is de samenleving geïndividualiseerd en sterk gericht op consumentisme in sociaaleconomische zin. Aan de attitude van burgers merk je een overgang van burgerschap naar consumentisme. Wat resteert is een transactionele samenleving.’
‘In een gezamenlijk proces van restyling van de overheid en van burgerschap in de laatste dertig jaar, door neoliberalisme en new public management, zijn andere verhoudingen ontstaan. Als je overal in de politieke en bestuurlijke taal de suggestie creëert dat de overheid een soort dienstverlenend bedrijf is, dat burgers aan loketten als klanten bedient, dan schep je een relatie waarin burgers zich als consument gaan opstellen.’
En de maatschappelijke organisaties?
‘De overheid heeft al langere tijd de neiging om allerlei taken af te schuiven naar het maatschappelijk veld en de individuele burgers. En tegelijkertijd laat de overheid maatschappelijke organisaties weinig ruimte of komt met maatregelen die hun ontwikkeling in de weg staan. Zo isoleer je je burgers en is de reactie dat ze geen loyaliteit meer hebben met de overheid of de politiek. Waarom zouden ze?’
‘Het resulteert in wantrouwend burgerschap als tegenmacht. Interessant in dit verband is La contre-démocratie van de Franse historicus en filosoof Pierre Rosanvallon of het concept van de ‘monitorial citizen’ uit het werk van Michael Schudson en democratiekenner John Keane: de argwanende, wantrouwend-kritische burger. Deze tegenmacht organiseert zich snel en momentaan via de sociale media, tegen overheid en markt. Soms met een gang naar de rechter. Het zijn nieuwe vormen van zelforganisatie, van tegenmacht. Het heeft iets assertiefs, het gedrag van de overheid roept dat op.’
Tot slot
Verder lezen? Historicus Aerts publiceerde in 2022 bij uitgeverij Prometheus Denkend aan Nederland. Over geschiedenis, nationaliteit en politiek. Het betreft hier genuanceerde beschouwingen en uitvoerige historiografische overzichten van de discussie over zoiets als ‘de nationale identiteit’ en daarmee verwante begrippen. Een bundel opstellen die duidelijk verder gaat dan de bekende clichés zoals koopman & dominee, poldercultuur, strijd tegen het water en tolerantie.
Zie voor het volledige programma van Civil Power en de aanmelding button:
https://www.wereldvanfilantropie.nl/evenement/civil-power-2025
Gerelateerde artikelen
- (Social) impact
- Verslag
Ruimte voor maatschappelijk middenveld slinkt: wat kan filantropie doen?
- Suzette de Boer
